Item: Hulpgevers (Mantelzorg)

Uit interRAI-PEDIA, E-Learning voor RAIview
Ga naar: navigatie, zoeken

TriangleArrow-Left.pngSectie: Sociale omgang en steun Item: Hulpgevers (Mantelzorg) Item: Mantelzorg toestandTriangleArrow-Right.png

Terug naar sectie Sociale omgang en steun
Terug naar overzichtspagina Secties en Vragen

Bedoeling

Het beoordelen van het mantelzorgsysteem. Dit verschilt van een formele relatie die de cliënt met een hulpverleningsorganisatie heeft.


Definities

Helper 1: Primaire mantelzorgerDe primaire mantelzorger kan een familielid zijn, een vriend of een buur (maar geen betaalde zorgverlener). Het is niet nodig dat de zorgverlener bij de cliënt woont. Het gaat er eerder om dat hij of zij de cliënt regelmatig bezoekt of reageert op de behoeften die de cliënt heeft. Het is de persoon die de cliënt het meeste helpt of op wie hij of zij het meest op kan vertrouwen.
Helper 2: Secundaire mantelzorgerDe tweede meest belangrijke mantelzorger of de persoon op wie, na de primaire mantelzorger, het meest op kan worden vertrouwd om te helpen of advies te geven en om raad te vragen als dit nodig is


Proces

Vraag de cliënt of hij of zij een mantelzorger kan noemen. De cliënt kan waarschijnlijk verscheidene mensen noemen die “zouden helpen” als dat aan een van hen zou worden gevraagd.

Maak in dat geval de vragen specifieker:

  • “Wie helpt u met boodschappen?”
  • “Wie helpt u het huis schoon te houden?”
  • “Wie helpt u met de maaltijden, het baden, het aankleden enz...?”
  • “Wie helpt u uw rekeningen te betalen?”
  • “Wie vervoert u als u ergens heen moet?”

Als de cliënt geen enkele hulp ontvangt, vraag dan of er iemand is die zou helpen indien dat nodig moest zijn. Als de cliënt de vragen niet kan begrijpen of beantwoorden of onduidelijke, ontwijkende of onjuiste antwoorden geeft (bijv., noemt de echtgenoot terwijl u weet dat de echtgenoot overleden is), neem dan het dossier bij de hulporganisatie door of bevraag eventuele mantelzorg.

Het is belangrijk te begrijpen dat sommige hulpgevers misschien niet als zorgverleners willen worden omschreven. Ze doen dingen die in het verlengde liggen van normale sociale relaties; het is wat van een dochter of echtgenote verwacht wordt. Het kan daarom nuttiger zijn zich te concentreren op de aard van de hulp die wordt gegeven eerder dan op het label van “zorgverlener”.


a. Relatie tot de cliënt

Leg de relatie van de mantelzorgers (1 en 2) tot de cliënt vast met de volgende coderingen:

  1. Kind of aangetrouwd kind
  2. Echtgenoot/echtgenote
  3. Partner/belangrijk ander persoon
  4. Moeder of vader
  5. Zus/broer
  6. Ander familielid
  7. Vriend
  8. Buur
  9. Geen mantelzorger


b. Woont met de cliënt

Codeer de woonsituatie van de twee mantelzorgers (1 en 2):

  1. Nee
  2. Ja, korter dan 6 maanden
  3. Ja, langer dan 6 maanden
  1. Geen mantelzorger


c. Gebieden waarop hulp is gegeven - IADL-zorg

IADL omvat activiteiten als:

  • maaltijdbereiding
  • huishouden
  • beheren van geld of geneesmiddelen
  • telefoongebruik
  • winkelen
  • vervoer

Vraag de cliënt en de mantelzorgers of er hulp is gegeven bij de maaltijdbereiding, het huishouden, beheren van geld of geneesmiddelen, telefoongebruik, winkelen en vervoer. De hulp kan variëren van licht huiswerk tot het doen van al het winkelen en het gehele huishouden.

Codeer voor de gebieden waarop de mantelzorger hulp aan de cliënt geeft:

  1. Nee
  2. Ja
  1. Mantelzorg afwezig


d. Gebieden waarop hulp is gegeven - ADL-zorg

ADL omvat activiteiten als:

  • bedbeweeglijkheid
  • verplaatsingen
  • in huis rondlopen
  • kleden
  • eten
  • toiletgebruik
  • persoonlijke hygiëne
  • baden

Vraag de cliënt en de mantelzorgers of er hulp is gegeven bij bedbeweeglijkheid, verplaatsingen, in huis rondlopen, kleden, eten, toiletgebruik, persoonlijke hygiëne en baden. De hulp kan variëren van “er zijn voor het geval dat” (of uit veiligheidsoverwegingen) tot het geven van complete ADL-zorg.

Codeer voor de gebieden waarop de mantelzorger hulp aan de cliënt geeft:

  1. Nee
  2. Ja
  1. Mantelzorg afwezig